| vorm | omschrijving | hoogte | voorkant | achterkant | |
| voet | 1) Een ieder is de smid van zijn geluk 2) Het hart is klein maar tot grote dingen in staat 3) Wees wat gij zijt, laat anderen zoals ze zijn 4) Het geluk geeft aan velen te veel, maar niemand genoeg |
22,4 | ![]() |
![]() |
|
| voet | 1) Wie levenskunstenaar wil worden oefene zich vroeg 2) Leren genieten is 's levens eerste les 3) De hemel geeft, die vangt die leeft 4) Wie het leven geen ideeën geeft, heeft geen ideen van het leven |
22,4 | ![]() |